Vastgoed actualiteit

Daar komt het M-peil: vanaf 2028 moet u milieu-impact nieuwe woning laten meten

De Vlaamse overheid wil de CO₂-impact van de materialen in een woning via een extra norm, het M-peil, beperken. Die zal gelden voor nieuwbouw en wordt later mogelijk uitgebreid naar renovaties.
De norm is nog niet onmiddellijk van kracht en over de precieze regels, de controle en de kostprijs bestaat veel onduidelijkheid.

Vandaag ligt in de bouw vooral de nadruk op energiezuinigheid. Dat leidt vaak tot extra isolatie, meer technieken en dus ook meer materiaalgebruik. Maar ook die materialen hebben een ecologische voetafdruk. ‘We moeten breder kijken dan enkel het energieverbruik. Ook de productie en de verwerking van materialen hebben een belangrijke klimaatimpact’, zegt Steven Lannoo, de directeur van de architectenvereniging NAV.

Daarom willen Europa en Vlaanderen niet alleen kijken naar de gebruiksfase van gebouwen, maar ook naar de materiaalimpact in andere levensfasen. Dat moet gebeuren via het materiaalprestatiepeil, kortweg het M-peil.

Wat is het materiaalprestatiepeil?

Het M-peil is een score die aangeeft hoe groot de milieu-impact is van de materialen in een gebouw over hun volledige levenscyclus: van productie en transport tot verwerking, gebruik, onderhoud en einde levensduur. Hoe hoger de score, hoe zwaarder de gebruikte materialen het milieu belasten.

Vandaag ligt de focus vooral op de CO₂-uitstoot. Of later ook andere milieueffecten worden meegenomen, ligt nog niet vast.

Hoe wordt het M-peil berekend?

Daarvoor bestaan verschillende tools, maar Totem, voluit Tool to Optimise the Total Environmental Impact of Materials, lijkt de verplichte rekentool te worden.

In de software kunnen gebouwelementen zoals vloeren, wanden en daken worden samengesteld of geselecteerd uit een bibliotheek. Op basis van generieke, specifieke of defaultgegevens wordt dan de CO₂- en de totale milieu-impact berekend. De finale impactscore wordt op het niveau van het volledige gebouw berekend, niet op het niveau van de individuele elementen.

Welke materialen hebben een impact?

Welke elementen meetellen, moet nog worden uitgeklaard met de andere gewesten en de experts. Het staat wel vast dat onder meer de draagstructuur en de gebouwschil in beeld komen. Per gebouw zal moeten worden afgewogen welke materiaalkeuzes effectief leiden tot een lager M-peil.

Sommige materialen scoren beter dan andere. Innovatieve materialen, zoals bakstenen die CO₂ capteren, kunnen een gunstige invloed hebben op de score. Materialen waarvan de productie veel energie vraagt, wegen dan weer zwaarder door. Daarnaast valt er winst te halen uit slim ontwerpen, het hergebruik van materialen en het beperken van afbraakwerken.

Wanneer wordt het verplicht?

De grote krijtlijnen zijn uitgezet in de herziene Europese richtlijn over de energieprestatie van gebouwen, de EPBD. Die moet uiterlijk in mei 2026 in Vlaamse regelgeving worden omgezet. Concrete verplichtingen volgen niet meteen.

De eerste stap is de berekening van de materiaalimpact. ‘Voor grote nieuwe gebouwen van meer dan 1.000 vierkante meter gebeurt dat vanaf 2028 zonder grenswaarden. Pas vanaf 2030 komen er streefwaarden en grenswaarden voor alle nieuwe gebouwen’, zegt Lannoo.

‘Van een uitgewerkt systeem met boetes is voorlopig geen sprake. De filosofie achter de wetgeving is vooral eigenaars en ontwerpers ertoe aan te zetten hun ontwerp al vroeg bij te sturen, zodat ze bewuster omgaan met materiaalgebruik’, zegt Jan Verheyen, de woordvoerder van de Openbare Vlaamse Afvalstoffenmaatschappij (OVAM).

Komt het M-peil er ook voor renovaties?

Voorlopig ligt de nadruk op nieuwbouw, maar het valt niet uit te sluiten dat de regeling later wordt uitgebreid naar renovatieprojecten.

Wie zal het M-peil opmaken en controleren?

De berekening zal volgens de huidige plannen in twee fases gebeuren door een materiaalprestatiedeskundige (MPD) in opdracht van de eigenaar: bij de vergunning en na de oplevering. Ook een architect of EPB-verslaggever kan die rol opnemen, als die over de juiste kennis en kwalificaties beschikt.

Het NAV waarschuwt dat de regeling werkbaar moet blijven. Vlaanderen laat de EPBD-wetgeving door twee afzonderlijke agentschappen uitwerken: VEKA en OVAM. ‘In de praktijk kunnen er twee aparte verslaggevers zijn voor één woning. Dat maakt bouwen duurder en leidt tot een pak meer administratieve rompslomp. Daar zit niemand op te wachten’, zegt Lannoo. ‘Het risico bestaat zelfs dat de adviezen elkaar tegenspreken.’ Concreet kan de ene expert bijvoorbeeld aanraden om meer te isoleren om het energieverbruik te beperken, terwijl de andere net pleit voor minder of andere materialen om de totale milieu-impact te verlagen.

Hoe de controle, uitzonderingen en procedure precies zullen verlopen, ligt nog niet vast.

Hoeveel zal het kosten?

Officiële tarieven zijn er nog niet. 'De toekomstige opdrachtgever moet rekening houden met een vergoeding en meer tijd voor het bijkomende studiewerk. En dat is nog buiten een bijkomende deskundige gerekend, zegt het NAV.

‘Voor de certificering van de materiaalprestatie zal een retributie betaald moeten worden. Het exacte bedrag ligt nog niet vast, maar we gaan uit van ongeveer 75 euro voor een particuliere nieuwbouwwoning’, zegt Verheyen.

Daarnaast zijn er de bouwkosten zelf. Volgens de OVAM blijkt uit studies met de Totem-tool dat materialen met een lage milieu-impact niet noodzakelijk duurder zijn dan traditionele materialen.

Vragen? Contacteer ons

U moet uw voornaam invullen.
U moet uw familienaam invullen.
U moet uw e-mailadres invullen.
U moet een bericht invullen.